Bij een hypothesetoets neem je op basis van een steekproef een beslissing over een uitspraak (de hypothese). Omdat steekproeven toevallig kunnen afwijken, kan je twee soorten fouten maken: type 1 en type 2. In de praktijk komen die overeen met vals positief en vals negatief.
De basis: H0 en H1
-
Nulhypothese H0: “er is geen effect / geen verschil / alles is normaal”.
-
Alternatieve hypothese : “er is wél een effect / wél een verschil / er is iets aan de hand”.
Een toets eindigt met één van deze beslissingen:
-
je verwerpt (je vindt genoeg bewijs tegen )
-
je verwerpt niet (je vindt onvoldoende bewijs tegen )
Type-1 fout betekent: Je verwerpt terwijl in werkelijkheid waar is. Dit heet ook een vals positief: je “detecteert” iets dat er niet is. is waar, maar jij zegt: “nee, klopt niet”.Klassieke slogan: “vals alarm”.
Type-2 fout betekent: Je verwerpt niet terwijl in werkelijkheid waar is. Dit heet ook een vals negatief: er is wél een effect, maar je mist het. is waar, maar jij zegt: “ik zie geen reden om te verwerpen”. Klassieke slogan: “gemiste detectie
Je kan nooit beide fouten ‘klein’ maken, want als de ene kleiner wordt, dan wordt de andere groter.
