- Leg 10 munten als een driehoek en verplaats exact 3 munten zodat de driehoek omgekeerd staat ( met de punt naar beneden ) Antwoord
Verplaats precies de drie hoekmunten van de oorspronkelijke driehoek:
-
Verplaats de bovenste munt naar onderaan (nieuw punt).
-
Verplaats de linker onderste hoek naar linksboven van de “nieuwe” omgekeerde driehoek (één rij hoger dan de oude basis).
-
Verplaats de rechter onderste hoek analoog naar rechtsboven.
Alle andere 7 munten liggen al goed (de omgekeerde driehoek overlapt 7 posities met de oorspronkelijke).
-
- Leg 15 munten op een rij, allemaal kop.
Een zet: kies 3 opeenvolgende munten en draai ze om (kop↔munt).
Kan je eindigen met precies één munt op “munt” en de rest kop?Spoiler
Nummer de posities 1,2,…,15. Bekijk drie “klassen”:
-
klasse A: posities 1,4,7,10,13 (≡ 1 mod 3)
-
klasse B: posities 2,5,8,11,14 (≡ 2 mod 3)
-
klasse C: posities 3,6,9,12,15 (≡ 0 mod 3)
Laat SA,SB,SC de pariteit zijn (even/oneven) van het aantal munten in elke klasse.
Als je 3 opeenvolgende munten omdraait, dan draai je exact één munt uit A, één uit B en één uit C om. Dus in één zet wisselt elke pariteit: , , Daarom blijven de verschillen invariant: (SA⊕SB=1 als ofwel SA=1 ofwel SB=1; SA⊕SB=0 als ze beiden 1 of 0 zijn) . Met andere woorden: als SA=SB was , dan blijven ze na omkeren gelijk en als ze eerst verschillend waren , dan blijven ze na omkeren nog steeds verschillend.
Start: alles kop ⇒ SA=SB=SC= ⇒ SA⊕SB=0 en SB⊕SC=0
Dus altijd geldt SA=SB=SC. Maar bij exact één muntis precies één van SA,SB,SC gelijk aan 1 en de andere 0 — dus niet allemaal gelijk. Onmogelijk.
-
