OMB Maxi finale 2026 vraag 4

Een middenparallel blijkt hier meer te zijn dan alleen een evenwijdige rechte: ze is ook een middelloodlijn. Daardoor verschijnt een gelijkbenige driehoek die de concurrentie verklaart. Daarna bepaalt een 30^\circ60^\circ90^\circ-driehoek de hoek, zonder coördinaten of goniometrie.

Infobox

  • Onderwerpen: Meetkunde
  • Probleemoplossingstechnieken: Gelijkbenige driehoek herkennen, middenparallel en middelloodlijn gebruiken, het middelpunt van een hypotenusa gebruiken, een 30^\circ60^\circ90^\circ-driehoek herkennen
  • Moeilijkheid: Moeilijk
  • Competitie: Olympiade Mathématique Belge, Maxifinale
  • Jaar: 2026
  • Opgavenummer: 4

Opgave

Het punt E is het midden van het lijnstuk [AB]. Het punt F ligt binnen het vierkant ABCD en voldoet aan

    \[|\widehat{CFE}|=|\widehat{BCF}|=|\widehat{CDF}|=\alpha.\]

(a) Als H en I de middelpunten zijn van respectievelijk [CD] en [CF], bewijs dan dat de rechten BC, EF en HI concurrent zijn.

(b) Bepaal \alpha.

Figuur 1

Figuur 1. We verlengen BC en EF tot hun snijpunt P. De hulpstukken DF, CF en HI maken de middenparallel en de gelijkbenige driehoek PCF zichtbaar.

Eerste idee

De hoeken bij C en D tonen dat driehoek DCF rechthoekig is in F. De middenparallel HI staat dan loodrecht op CF en gaat door het midden ervan. Voor P=HI\cap BC volgt dus PC=PF. De gelijkbenige driehoek PCF bewijst de concurrentie. Daarna leveren HF=s/2 en EH=s een 30^\circ60^\circ90^\circ-driehoek op die \alpha bepaalt.

Uitwerking

Omdat ABCD een vierkant is, geldt \angle DCF=90^\circ-\alpha. In driehoek DCF vinden we daarom

    \[\angle DFC=180^\circ-\alpha-(90^\circ-\alpha)=90^\circ.\]

Dus DF\perp CF.

(a) De concurrentie

In driehoek DCF zijn H en I de middelpunten van respectievelijk [DC] en [FC]. Volgens de middenparallelstelling is

    \[HI\parallel DF.\]

Omdat DF\perp CF, geldt ook HI\perp CF. Bovendien is I het midden van [CF]. De rechte HI is bijgevolg de middelloodlijn van [CF].

De richting van D naar F wijst vanaf D het vierkant in. Omdat de halfrechte HI dezelfde richting heeft, snijdt ze de rechte BC op de halfrechte vanuit C door B. Laat dit snijpunt P zijn. Dan ligt P op de middelloodlijn van [CF], en dus

    \[PC=PF.\]

Driehoek PCF is gelijkbenig met basis CF. Omdat P op de halfrechte vanuit C door B ligt, is

    \[\angle PCF=\angle BCF=\alpha.\]

De basishoeken zijn gelijk, zodat \angle CFP=\alpha. Volgens het gegeven is ook \angle CFE=\alpha. De punten P en E liggen aan dezelfde kant van CF: P ligt op de halfrechte CB, terwijl E op AB ligt. Aan die kant van CF is er vanuit F maar één halfrechte die met FC de hoek \alpha maakt. De halfrechten FP en FE vallen dus samen.

Daarom ligt P op EF. Per definitie ligt P ook op BC en HI. De rechten

    \[BC,\qquad EF\qquad\text{en}\qquad HI\]

zijn dus concurrent.

(b) De waarde van \alpha

Noem de zijde van het vierkant s. Het lijnstuk FE, behalve zijn eindpunt E, ligt binnen het vierkant. De halfrechte FE ontmoet de rechte BC dus pas buiten het vierkant. Bijgevolg ligt P op de verlengde zijde voorbij B. De halfrechten PB en PC zijn dezelfde, evenals PE en PF.

Driehoek DCF is rechthoekig in F en H is het midden van de hypotenusa [DC]. Het middelpunt van de hypotenusa van een rechthoekige driehoek ligt even ver van de drie hoekpunten. Bijgevolg

    \[HF=HC=\frac{s}{2}.\]

Driehoek HCF is dus gelijkbenig. Omdat H,C,D collineair zijn, geldt

    \[\angle HCF=\angle DCF=90^\circ-\alpha.\]

Daarom is ook \angle HFC=90^\circ-\alpha. Uit deel (a) weten we dat \angle CFP=\alpha. De halfrechten FH en FP liggen aan weerszijden van FC, zodat

    \[\angle HFP=(90^\circ-\alpha)+\alpha=90^\circ.\]

De punten E,F,P zijn collineair, dus HF\perp EF.

Omdat E en H de middelpunten van de overstaande zijden [AB] en [DC] zijn, is EH evenwijdig met AD en

    \[EH=AD=s=2HF.\]

Driehoek EHF is bijgevolg rechthoekig in F en haar hypotenusa EH is tweemaal de rechthoekszijde HF. In zo’n 30^\circ60^\circ90^\circ-driehoek ligt tegenover de zijde die half zo lang is als de hypotenusa een hoek van 30^\circ. Dus

    \[\angle HEF=30^\circ.\]

Verder is EH\perp EB. De halfrechten EF en EP zijn tegengesteld, en P ligt voorbij B. Daarom volgt uit \angle HEF=30^\circ dat

    \[\angle BEP=60^\circ.\]

Driehoek BEP is rechthoekig in B, zodat \angle BPE=30^\circ. In de gelijkbenige driehoek PCF zijn de basishoeken gelijk aan \alpha. Omdat de halfrechten PB en PC samenvallen en ook PE en PF samenvallen, geldt

    \[30^\circ=\angle BPE=\angle CPF=180^\circ-2\alpha.\]

Daaruit besluiten we

    \[\boxed{\alpha=75^\circ}.\]

Probleemoplossingstechnieken

  • Een gelijkbenige driehoek herkennen: De middelloodlijn geeft PC=PF; de gelijke basishoeken leveren de collineariteit.
  • Middenparallel en middelloodlijn gebruiken: Uit HI\parallel DF, DF\perp CF en CI=IF volgt dat HI de middelloodlijn van CF is.
  • Het middelpunt van een hypotenusa gebruiken: Omdat H het midden is van de hypotenusa van de rechthoekige driehoek DCF, geldt HF=HC=s/2.
  • Een 30^\circ60^\circ90^\circ-driehoek herkennen: In de rechthoekige driehoek EHF geldt EH=2HF; daaruit volgt \angle HEF=30^\circ.

Bron

Maxifinale Olympiade Mathématique Belge 2026, 22 april 2026. © Olympiade Mathématique Belge.