- Er kan nergens ontbonden worden in factoren.
- Gebruik makend van de symmetrie, kan je een gepast substitutie uitvoeren.
- Stel x = 2025
- De opgave wordt dan
![Rendered by QuickLaTeX.com \[\frac{x^2+1}{(x-1)^2+(x+1)^2}\]](https://usercontent.one/wp/www.wiskundemagie.be/wp-content/ql-cache/quicklatex.com-fe45fcd940bc7625c3c294a36429f8f9_l3.png?media=1678572382)
- De noemer wordt
. - Bijgevolg is de opgave gelijk aan
.
Een round-robin (competitieschema “iedereen tegen iedereen”) is een formaat waarbij elke deelnemer precies één keertegen elke andere speelt (single round robin). Met heen-en-terug speel je twee keer tegen iedereen (double round robin).
Als er n ploegen zijn, dan zijn er
wedstrijden. Als n even is zijn er
rondes en per ronde zijn er dan
wedstrijden. Als n oneven is , voeg je een “lege” ploeg bij. zo heb je dan een even aantal ploegen en worden er dus n ronden gespeeld. Als je tegen de “lege” ploeg speelt dan ben je BYE.
Hoe kan je nu zo een schema opstellen? Zet de teams in een “kring”, maak per ronde vaste overkant-paren, en draai na elke ronde alle teams door (behalve één “anker”).
Een voorbeeld met 6 teams: A,B,C,D,E,F:
We schrijven ze in twee rijen tegenover elkaar:
Ronde 1 – opstelling
Boven: A B C
Onder: F E D
Wedstrijden (koppel tegenover elkaar):
A–F
B–E
C–D
A blijft staan (anker).
De andere 5 teams vormen een ring: B, C, D, E, F.
Na elke ronde schuift die ring één stap door (bijv. met de klok mee).
Dan krijg je:
Ronde 2
Nieuwe ring: F, B, C, D, E
Opstelling:
Boven: A F B
Onder: E D C
Wedstrijden:
A–E, F–D, B–C
Ronde 3
Ring: E, F, B, C, D
Wedstrijden:
A–D, E–C, F–B
Ronde 4
Ring: D, E, F, B, C
Wedstrijden:
A–C, D–B, E–F
Ronde 5
Ring: C, D, E, F, B
Wedstrijden:
A–B, C–F, D–E
✅ Na 6−1=5 rondes heeft iedereen iedereen precies één keer ontmoet.
De 30e eeuw v.Chr. is geen “één verhaal”, maar een mozaïek van gelijktijdige ontwikkelingen. Op meerdere plaatsen zie je dezelfde grote tendensen: groei van dorpen tot steden, meer organisatie, specialisatie, handel over grotere afstanden, en de eerste vormen van staatsmacht. Tegelijk blijven grote delen van de wereld nog puur landelijk of nomadisch: complexiteit ontstaat niet overal, en niet overal op dezelfde manier.
Rond 3000 v.Chr. leefden er wereldwijd waarschijnlijk ongeveer 10–20 miljoen mensen (schattingen verschillen; “ongeveer 14 miljoen” wordt vaak als orde van grootte genoemd). De mensheid is dus nog dun verspreid, met duidelijke concentraties langs rivieren en kustzones.
We zitten volledig in het Holoceen: de grote ijskappen van de laatste ijstijd zijn al lang verdwenen. Europa en Noord-Amerika zijn vrij van continentale ijskappen. Wel blijven poolijsgebieden bestaan, en berggletsjers in hooggebergten.
De periode waarin de Sahara groener en natter was (met meren, savannes en herdersvolkeren) is al aan het afnemen. Het gevolg is een geleidelijke concentratie van bevolking rond blijvende waterbronnen, vooral de Nijl en de Sahelrand. Dit is een belangrijke achtergrond voor de groei van het Egyptische rijk.
In Zuid-Mesopotamië loopt in deze eeuw de overgang naar een wereld met volwaardige steden en steeds sterkere instellingen (tempelcomplexen, opslag, arbeid, verdeling van graan en goederen).
Administratie en registratie nemen toe (tellen, meten, zegels, archieven).
Steden worden knooppunten van macht en handel.
Naar het einde van deze fase wordt de politieke wereld meer gefragmenteerd: meerdere steden staan als eigen centra naast elkaar (het “stadstaatmodel” dat later nog duidelijker wordt).
Essentie: hier ontstaat een samenleving waar bestuur en economie zichtbaar “op papier” (of op klei) beginnen te functioneren.
Egypte is rond deze tijd al sterk op weg naar een gecentraliseerd koninkrijk. De Nijl werkt als een natuurlijke ruggengraat: verkeer, landbouw en administratie volgen dezelfde as.
Het koningschap krijgt een heilig en ritueel karakter.
Begrafeniscultuur en elitestructuren worden opvallend.
Figuren zoals Narmer worden traditioneel verbonden met de unificatie en het vroege dynastische tijdperk.
Essentie: Egypte kiest vroeg voor territoriale eenheid, wat later uitzonderlijke continuïteit mogelijk maakt.
Tussen Egypte en Mesopotamië ligt een brede zone (Levant, Syrië, Anatolië) die als brug functioneert:
Groei van nederzettingen en regionale centra.
Uitwisseling van goederen (hout, steen, metalen, luxeproducten).
De vroege bronstijd komt op gang: meer metaalgebruik en specialisatie.
Essentie: dit is de “scharnierzone” waar contacten tussen rijken, steden en grondstoffenlanden samenkomen.
Aan de oostrand van Mesopotamië (Zagros, Iraans plateau) ontwikkelen eigen regionale tradities, met:
lokale machtscentra,
grondstoffenroutes,
en blijvende interactie met Mesopotamië.
Essentie: niet één groot rijk, wél een netwerk van gebieden dat mee de economische wereld van het Nabije Oosten voedt.
In het gebied van de latere Indusbeschaving zie je in deze eeuw vooral voorbereiding:
agrarische dorpsnetwerken,
groei van ambachten,
regionale uitwisseling.
De echte “grote stadstijd” van de Indus komt later, maar de fundamenten liggen al.
Op de steppe (Pontisch–Kaspisch gebied en verder) leeft men veelal als mobiele veetelers.
Macht en organisatie tonen zich niet in steden, maar in mobiliteit, kuddes, en sociale structuren.
Begrafenisrituelen (kurgantraditie) en verre contacten wijzen op brede netwerken.
Essentie: complexiteit kan ook zonder steden: via mobiliteit, verbinding en prestige.
In Noord-China begint rond 3000 v.Chr. een fase waarin sommige regio’s sterk veranderen:
grotere nederzettingen,
soms omwallingen,
sterke ambachtelijke tradities (o.a. fijn zwart aardewerk).
Essentie: richting meer hiërarchie en regionale centra, zonder dat er al één “Chinees rijk” bestaat.
Europa is in deze eeuw een lappendeken:
landbouwgebieden met grotere dorpen,
monumenten (megalieten, rituele plekken),
toenemende sociale gelaagdheid in sommige regio’s.
In Noordwest-Europa zie je soms opmerkelijk “rijke” neolithische gemeenschappen met sterke lokale tradities.
Ook in de Amerika’s ontstaan vroeg vormen van grootschalige organisatie, vooral aan de Peruaanse kust:
ceremoniële centra,
monumentale bouw,
regionale samenwerking.
Essentie: “complexe samenleving” hoeft niet hetzelfde pad te volgen als in Egypte of Mesopotamië.
In deze context betekent “stedelijke complexiteit” een bundel van kenmerken die vaak samen optreden:
Concentratie van bevolking (grotere nederzettingen)
Specialisatie (ambachtslieden, bestuur, religieuze functionarissen)
Overschotten en opslag (graan, vee, distributie)
Administratie (meten, tellen, zegels, vroege schriftvormen)
Monumentale of collectieve bouw (tempels, platformen, omwallingen)
Sociale gelaagdheid (elite, bestuur, arbeid)
Belangrijk: niet elke regio krijgt deze kenmerken tegelijk. Sommige gebieden ontwikkelen vooral administratie (Mesopotamië), andere vooral territoriale eenheid (Egypte), andere vooral netwerk-mobiliteit (steppe).
Voor de 30e eeuw v.Chr. zijn concrete persoonsnamen schaars buiten Egypte. In veel regio’s zijn het eerder steden, instellingen en archeologische lagen die we kunnen beschrijven dan individuen met betrouwbare biografie.
Egypte: vroege koningen (met Narmer als bekend ankerpunt).
Mesopotamië: vooral de groei van steden en administratieve systemen; individuele heersers worden later in tradities duidelijker.
De 30e eeuw v.Chr. is een wereld van gelijktijdige versnellingen: op meerdere plaatsen groeit de schaal van samenleving, economie en bestuur. Toch is het geen “wereldwijde revolutie” in één richting. Het is eerder een tijd van parallelle experimenten: stadstaten langs rivieren, territoriale eenheid langs de Nijl, mobiele netwerken op de steppe, en ceremoniële centra in de Andes.
![]()
![]()

![Rendered by QuickLaTeX.com \[\frac{1}{n}\sum_{d|n}\varphi(\frac{n}{d})m^d\]](https://usercontent.one/wp/www.wiskundemagie.be/wp-content/ql-cache/quicklatex.com-65e5460e92d173e2d27eab4fff6273de_l3.png?media=1678572382)