Gerd Faltings

Op 19 maart 2026 maakte de Noorse Academie voor Wetenschappen en Letteren bekend dat de Abelprijs 2026 gaat naar Gerd Faltings, verbonden aan het Max Planck Institute for Mathematics in Bonn. De prijs werd hem toegekend voor zijn diepgaande bijdragen aan de rekenkundige meetkunde en in het bijzonder voor het oplossen van lang openstaande diofantische vermoedens van Mordell en Lang.

Voor veel mensen klinkt dat abstract. Toch raakt Faltings’ werk aan een van de oudste vragen uit de wiskunde: hoeveel rationale oplossingen kan een vergelijking hebben? Met “rationaal” bedoelen we hier getallen die als breuk van twee gehele getallen kunnen worden geschreven. Sommige vergelijkingen hebben oneindig veel zulke oplossingen, andere geen enkele, en weer andere slechts eindig veel. Het grote inzicht van Faltings was dat er een diepe meetkundige reden achter dat verschil schuilt.

Een klassiek voorbeeld is de vergelijking van Pythagoras:

    \[x^2+y^2=z^2\]

.

Die heeft oneindig veel gehele oplossingen, zoals 3^2+4^2=5^2 en 5^2+12^2=13^2. Zulke voorbeelden tonen dat diofantische vergelijkingen helemaal niet automatisch “zeldzaam” zijn in hun oplossingen. Sommige families leveren juist eindeloos veel oplossingen op.

Maar in de twintigste eeuw begon men te begrijpen dat het gedrag van zulke vergelijkingen sterk samenhangt met de meetkundige vorm van de kromme die erbij hoort. Daarbij speelt het begrip genus een hoofdrol. Heel ruw gezegd meet het genus de complexiteit van een kromme; topologisch kun je het zien als het aantal “gaten” van het bijbehorende oppervlak. Krommen van genus 0 en 1 gedragen zich vaak nog vrij soepel, maar vanaf genus verandert het beeld drastisch.

In 1922 formuleerde Louis Mordell een beroemde stelling en tegelijk een nog moeilijker vermoeden. Voor elliptische krommen, dat zijn krommen van genus , bewees hij dat de rationale punten een eindig voortgebrachte abelse groep vormen. Maar voor krommen van genus groter dan vermoedde hij iets nog sterker: daar zouden er slechts eindig veel rationale punten bestaan. Dat vermoeden bleef meer dan zestig jaar onopgelost.

Precies daar brak Gerd Faltings in 1983 door. Hij bewees het vermoeden van Mordell, dat sindsdien bekendstaat als de stelling van Faltings. In moderne bewoordingen zegt die stelling dat een algebraïsche kromme van genus ten minste , gedefinieerd over de rationale getallen, slechts een eindig aantal rationale punten heeft. Dat is een verbluffend resultaat: het zegt niet noodzakelijk welke oplossingen er zijn, maar wel dat het er nooit oneindig veel kunnen zijn.

Het belang daarvan is moeilijk te overschatten. Faltings bewees niet zomaar één geïsoleerde stelling, maar veranderde de manier waarop getaltheorie en meetkunde met elkaar verbonden werden. Zijn aanpak liep niet via de klassieke diofantische benaderingen alleen, maar via nieuwe methoden in de rekenkundige meetkunde, onder meer via ideeën rond hoogten en finietheidsresultaten voor families van krommen. Zijn bewijs verraste de experts en werd meteen gezien als een historische doorbraak.

Een mooie les voor leerlingen en liefhebbers van wiskunde is dat vergelijkingen niet alleen algebra zijn, maar ook meetkunde. Een vergelijking kun je beschouwen als een kromme, en de vorm van die kromme bepaalt mee hoeveel rationale oplossingen mogelijk zijn. Dat is precies de kracht van de rekenkundige meetkunde: ze laat zien dat vragen over breuken en gehele getallen soms pas oplosbaar worden wanneer je ze meetkundig bekijkt.

De Abelprijs 2026 bekroont die visie. Volgens de officiële motivatie kreeg Faltings de prijs voor het invoeren van krachtige methoden in de rekenkundige meetkunde en voor het oplossen van lang openstaande diofantische vermoedens van Mordell en Lang. De Abelprijs bestaat sinds 2003 en bedraagt in 2026 7,5 miljoen Noorse kronen. Faltings kreeg eerder al de Fieldsmedaille in 1986, kort na zijn spectaculaire doorbraak.

Het aantal rationale oplossingen van de vergelijking x^2+y^2=1 correspondeert met het aantal punten met rationale coördinaten op :

Of , wat lastiger, de vergelijking y^2=x^3-x+1.

Het vierkantswortel symbool

Het wortelteken werd ingevoerd door Christoff Rudolff (1499-1545) in zijn Duits algebraboek Die Coss (1525). Dit boek was zeer invloedrijk, vooral in Duitsland. In 1553 publiceerde Michael Stifel (1487-1567), de grootste Duitse algebraïst van de 16de eeuw, er in Königsberg een verbeterde versie van. Ook in zijn bekende werk Arithmetica integra  (1544), gebruikte Stifel dit symbool in de huidige betekenis.

Het teken  leek op een schuine r (van het Latijnse woord radix, wat “wortel” betekent). In middeleeuwse notities werd het woord radix soms afgekort tot een gotische of cursieve ‘r’.
Als die r wat werd verlengd en gestileerd, kreeg je iets wat op het moderne symbool voor vierkantswortel  lijkt. In Rudolffs drukwerk stond het symbool zonder bovenste horizontale streep: de horizontale “vinculum” (het bovenlijntje) werd toegevoegd om duidelijk te maken welke delen van de formule onder de wortel horen. Vanaf de 17e eeuw werd het symbool geleidelijk gestandaardiseerd in de vorm die we nu kennen: een schuine streep met een horizontale lijn erboven.

Bolstapeling

In de wereld van de moderne wiskunde zijn er enkele namen die opvallen door hun baanbrekende ontdekkingen en bijdragen aan complexe problemen. Maryna Viazovska is zo’n persoon. Geboren in Oekraïne op 2 december 1984, heeft ze niet alleen de wereld van de getaltheorie en wiskundige optimalisatie verrijkt, maar heeft ze ook bewezen dat zelfs de meest uitdagende problemen kunnen worden opgelost door vastberadenheid en briljant denken. Ze is hoogleraar getaltheorie in Lausanne en staat vooral bekend voor haar werk aan de dichtste stapeling van bollen.

Dit is een zodanige configuratie, regelmatig of onregelmatig, van een willekeurig groot aantal identieke bollen, dat geen andere configuratie voor hetzelfde aantal bollen minder ruimte inneemt. De gemiddelde dichtheid, de verhouding van het volume van de bollen tot het volume van het de ruimte noemt men de pakkingsfactor. De hoogste pakkingsfactor die kan bereikt worden is ongeveer 0,74( bewezen door Thomas Hales). Er zijn meerdere manieren van bolstapeling, die de maximale pakkingsfactor van ongeveer 0,74 halen. De simpele, veelvoorkomende zijn de hexagonale en de kubische:

In 2016 loste Viazovska het probleem van de dichtste bolstapeling  in een acht-dimensionale ruimte op. Zij toonde aan dat de dichtste stapeling wordt verkregen als de bollen geordend worden volgens een Liegroep. Voor haar werk kreeg ze de Fields Medal een van ’s werelds hoogste onderscheidingen in de wiskunde. Tot dan was het probleem slechts opgelost in 3 dimensie en dat bewijs kostte 300 pagina’s. Marina bewees dat van haar op 23 pagina’s en deed dat op een opvallend elegante manier. Ze was pas de tweede vrouw die de Fields Medal mocht ontvangen; De eerste was de Iraanse wiskundige Mirzakhani (1977-2017).

 
 

Het vierkleurenprobleem

Het vierkleurenprobleem is een van de bekendste vraagstukken in de wiskunde en de geschiedenis ervan is best fascinerend. Het probleem draait om de vraag of elke landkaart met aangrenzende gebieden kan worden ingekleurd met slechts vier verschillende kleuren, zodat geen twee aangrenzende gebieden dezelfde kleur hebben.

Het probleem stamt eigenlijk al uit de 19e eeuw, toen Francis Guthrie, een Britse wiskundige, het voor het eerst formuleerde in 1852. Hij stelde de vraag terwijl hij naar een landkaart van de graafschappen van Engeland keek. Het intrigeerde wiskundigen decennialang, en er werden verschillende pogingen gedaan om het te bewijzen of te weerleggen.

In de loop der jaren hebben vele wiskundigen zich ermee beziggehouden, maar het probleem bleef hardnekkig weerstand bieden. Pas in 1976 werd een doorbraak bereikt toen Kenneth Appel en Wolfgang Haken een computerprogramma ontwikkelden om te bewijzen dat vier kleuren voldoende zijn voor elke willekeurige landkaart. Hun bewijs was echter controversieel omdat het gebruikmaakte van computertechnologieën die destijds nieuw waren voor wiskundige bewijzen.

Ondanks de controverse wordt het vierkleurenprobleem nu algemeen aanvaard als opgelost, hoewel sommige wiskundigen de voorkeur geven aan handmatige bewijzen boven computerondersteunde methoden. Het blijft echter een belangrijk onderwerp binnen de wiskundige gemeenschap en heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van nieuwe methoden en ideeën binnen de grafentheorie en de combinatorische wiskunde.

Het chromatisch getal van een graaf is het minimum aantal kleuren dat nodig is om de knopen van die graaf te kleuren, zodanig dat geen twee verbonden knopen dezelfde kleur hebben. Voor een vlakke landkaartgrafiek (geen twee landen delen een grenssegment) is het chromatisch getal gelijk aan 4 vanwege het vierkleurenprobleem.

Dus, het vierkleurenprobleem is een specifiek geval van het bepalen van het chromatisch getal van een bepaalde graaf, namelijk landkaartgrafen op een vlakke oppervlakte.

Betegelingen van het vlak

De kunst van het betegelen is waarschijnlijk al zo oud als de beschaving zelf. Moorse gebouwen, zoals het Alhambra zijn overvloedig versierd met kleurrijke tegels in alle mogelijke vormen.

De wetenschappelijke benadering van betegelingen is echter nauwelijks 100 jaar oud. Op 1 uitzondering na, want reeds in 1619 schreef Johann Kepler (1571-1630) over dit onderwerp.

In zijn werk: Harmonice Mundi, komen betegelingen uitgebreid aan bod, zoals blijkt uit volgende afbeeldingen uit zijn boek.

Het werk maakt op veel plaatsen de indruk een religieus traktaat te zijn. Kepler uitgangspositie is religieus, metafysisch, maar zijn grote kracht is dat hij minutieus al zijn bespiegelingen controleert en zich door de feiten laat overtuigen. Volgens het idee van Kepler is de kosmos door God harmonisch geschapen en heeft de mens voor deze harmonie een ingeschapen gevoel. De harmonie zit in de getalsmatige verhoudingen. Het is een harmonie van getallen.