Vierkantswortel van een matrix

De vierkantswortel van een matrix

Voor een reëel getal a \ge 0 weten we wat een vierkantswortel is: dat is een getal b waarvoor

    \[ b^2=a. \]

Bij matrices stellen we precies dezelfde vraag.

Definitie

Een vierkantswortel van een matrix A is een matrix B waarvoor

    \[ B^2=A. \]

Met andere woorden: als we B met zichzelf vermenigvuldigen, krijgen we A.

Hierbij moeten we meteen opletten dat de situatie bij matrices subtieler is dan bij gewone getallen:

  • een matrix kan geen vierkantswortel hebben;
  • een matrix kan meerdere vierkantswortels hebben;
  • een vierkantswortel is in het algemeen niet uniek.

Daarom is het vaak beter te spreken van een vierkantswortel van een matrix dan van de vierkantswortel.

Een eerste eenvoudig voorbeeld

Neem de diagonale matrix

    \[ A=\begin{pmatrix} 4&0\\ 0&9 \end{pmatrix}. \]

Dan is

    \[ B=\begin{pmatrix} 2&0\\ 0&3 \end{pmatrix} \]

een vierkantswortel van A, want

    \[ B^2= \begin{pmatrix} 2&0\\ 0&3 \end{pmatrix} \begin{pmatrix} 2&0\\ 0&3 \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 4&0\\ 0&9 \end{pmatrix} =A. \]

Maar ook

    \[ \begin{pmatrix} -2&0\\ 0&3 \end{pmatrix}, \qquad \begin{pmatrix} 2&0\\ 0&-3 \end{pmatrix}, \qquad \begin{pmatrix} -2&0\\ 0&-3 \end{pmatrix} \]

zijn vierkantswortels van A.

Zelfs in dit eenvoudige geval is de vierkantswortel dus niet uniek.

De standaardmethode: diagonaliseerbare matrices

De berekening van een vierkantswortel wordt veel eenvoudiger wanneer de matrix diagonaliseerbaar is. Stel dat

    \[ A=PDP^{-1}, \]

waarbij D een diagonale matrix is:

    \[ D=\operatorname{diag}(\lambda_1,\lambda_2,\dots,\lambda_n). \]

Als we voor elke diagonaalwaarde \lambda_i een getal \mu_i kunnen kiezen zodat

    \[ \mu_i^2=\lambda_i, \]

dan is

    \[ \sqrt{D}=\operatorname{diag}(\mu_1,\mu_2,\dots,\mu_n) \]

een vierkantswortel van D.

Daaruit volgt dan onmiddellijk een vierkantswortel van A:

    \[ B=P\sqrt{D}P^{-1}. \]

Inderdaad,

    \[ B^2=(P\sqrt{D}P^{-1})(P\sqrt{D}P^{-1}) = P(\sqrt{D})^2P^{-1} = PDP^{-1} = A. \]

De strategie is dus:

  1. bepaal de eigenwaarden van A;
  2. diagonaliseer A;
  3. neem de vierkantswortel van de diagonale matrix;
  4. keer terug naar de oorspronkelijke basis.

Uitgewerkt voorbeeld

We bekijken de matrix

    \[ A= \begin{pmatrix} 5&4\\ 4&5 \end{pmatrix}. \]

We zoeken een matrix B waarvoor

    \[ B^2=A. \]

Stap 1: eigenwaarden bepalen

Voor een matrix van de vorm

    \[ \begin{pmatrix} a&b\\ b&a \end{pmatrix} \]

zijn de eigenwaarden

    \[ a+b \quad \text{en} \quad a-b. \]

Hier krijgen we dus

    \[ \lambda_1=5+4=9, \qquad \lambda_2=5-4=1. \]

Stap 2: eigenvectoren bepalen

Bij \lambda_1=9 hoort bijvoorbeeld de eigenvector

    \[ v_1=\begin{pmatrix}1\\1\end{pmatrix}, \]

en bij \lambda_2=1 hoort

    \[ v_2=\begin{pmatrix}1\\-1\end{pmatrix}. \]

We nemen dus

    \[ P= \begin{pmatrix} 1&1\\ 1&-1 \end{pmatrix}, \qquad D= \begin{pmatrix} 9&0\\ 0&1 \end{pmatrix}. \]

Dan geldt

    \[ A=PDP^{-1}. \]

Stap 3: de vierkantswortel van D

Een natuurlijke keuze is

    \[ \sqrt{D}= \begin{pmatrix} 3&0\\ 0&1 \end{pmatrix}. \]

Stap 4: teruggaan naar de oorspronkelijke basis

We berekenen

    \[ B=P\sqrt{D}P^{-1}. \]

Omdat

    \[ P^{-1}=\frac12 \begin{pmatrix} 1&1\\ 1&-1 \end{pmatrix}, \]

volgt

    \[ B= \begin{pmatrix} 1&1\\ 1&-1 \end{pmatrix} \begin{pmatrix} 3&0\\ 0&1 \end{pmatrix} \frac12 \begin{pmatrix} 1&1\\ 1&-1 \end{pmatrix}. \]

Eerst vinden we

    \[ P\sqrt{D}= \begin{pmatrix} 3&1\\ 3&-1 \end{pmatrix}. \]

Dus

    \[ B= \frac12 \begin{pmatrix} 3&1\\ 3&-1 \end{pmatrix} \begin{pmatrix} 1&1\\ 1&-1 \end{pmatrix} = \frac12 \begin{pmatrix} 4&2\\ 2&4 \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 2&1\\ 1&2 \end{pmatrix}. \]

Stap 5: controle

Nu controleren we:

    \[ \begin{pmatrix} 2&1\\ 1&2 \end{pmatrix}^2 = \begin{pmatrix} 2&1\\ 1&2 \end{pmatrix} \begin{pmatrix} 2&1\\ 1&2 \end{pmatrix} = \begin{pmatrix} 5&4\\ 4&5 \end{pmatrix}. \]

Dus

    \[ \begin{pmatrix} 2&1\\ 1&2 \end{pmatrix} \]

is inderdaad een vierkantswortel van A.

Niet elke matrix heeft een reële vierkantswortel

Neem bijvoorbeeld

    \[ A= \begin{pmatrix} -1&0\\ 0&1 \end{pmatrix}. \]

Als we een reële diagonale vierkantswortel zouden willen nemen, dan zouden we een reëel getal x nodig hebben met

    \[ x^2=-1, \]

en dat bestaat niet in \mathbb{R}.

Dus niet elke reële matrix heeft een reële vierkantswortel. Vooral negatieve eigenwaarden kunnen problemen veroorzaken.

Het mooie geval: symmetrische positief-definiete matrices

Wanneer A een symmetrische matrix is met strikt positieve eigenwaarden, dan bestaat er precies één symmetrische positief-definiete vierkantswortel. Die noemt men de hoofdvierkantswortel van A.

In dat geval kan men schrijven

    \[ A=QDQ^T, \]

waarbij Q orthogonaal is en D diagonaal met positieve diagonaalelementen. Dan is

    \[ \sqrt{A}=Q\sqrt{D}Q^T. \]

Dit is de netjesste en meest natuurlijke situatie.

Besluit

Een vierkantswortel van een matrix A is een matrix B waarvoor

    \[ B^2=A. \]

Voor diagonaliseerbare matrices is de berekening conceptueel eenvoudig:

    \[ A=PDP^{-1} \quad \Longrightarrow \quad \sqrt{A}=P\sqrt{D}P^{-1}. \]

Men reduceert het probleem dus tot het nemen van vierkantswortels van de eigenwaarden.

Toch moeten we opletten:

  • de vierkantswortel is in het algemeen niet uniek;
  • niet elke matrix heeft een reële vierkantswortel;
  • voor symmetrische positief-definiete matrices bestaat er wel een natuurlijke keuze.

Het uitgewerkte voorbeeld

    \[ A= \begin{pmatrix} 5&4\\ 4&5 \end{pmatrix} \]

laat mooi zien hoe eigenwaarden en diagonaliseerbaarheid leiden tot

    \[ \sqrt{A}= \begin{pmatrix} 2&1\\ 1&2 \end{pmatrix}. \]

[/latexpage]

Nootje 71

13 zwarte kippen, 14 grijze kippen en 12 witte kippen leggen samen in twee weken 58 eieren.

11 zwarte kippen, 10 grijze kippen en 9 witte kippen leggen samen in drie weken 65 eieren.

Hoeveel eieren lebben 5 zwarte, 22 grijze en 15 witte kippen samen in 1 week?

 

Antwoord

  • We herleiden alles tot het leggen in 1 week en stellen met x,y en z het aantal eieren voor, door respectievelijk de zwarte, grijze en witte kippen gelegd in 1 week.
  • Met k noteren we het gezochte aantal eieren in 1 week.
  •     \[\begin{cases} 13x+14y+12z=29\\33x+30y+27z=65\\5x+22y+15z=k\end{cases}\]

  • De determinant van dit stelsel is nul. De derde vergelijking is dus een lineaire combinatie van de eerste twee: V_3=aV_1+bV_2.
  • Of ook k=29a+65b.
  • Uit de coëfficiënten van x en y leiden we een stelsel af met onbekenden a en b:

        \[\begin{cases} 13a+33b=5\\14a+30b=22 \end{cases}\]

  • Hieruit volgt dat a=8 en b=-3 en dan is k=37
  • Er worden door 5 zwarte, 22  grijze en 15 witte kippen dus 37 eieren gelegd in 1 week.

Karahantepe

Karahantepe – een sleutelplek uit het vroege Neolithicum

Karahantepe is een prehistorische vindplaats in Zuidoost-Turkije. Karahantepe hoort bij het onderzoeksprogramma Taş Tepeler (Şanlıurfa Neolithic Research Project). Dat project bestudeert de cruciale overgang van laat-jager-verzamelaars naar vroege, meer sedentaire gemeenschappen in Zuidwest-Azië (10e–7e millennium v.Chr.).

Karahantepe past in het Pre-Pottery Neolithic (neolithicum zónder aardewerk), rond het midden van het 10e millennium v.Chr. en later.  De site is vooral bekend om:

  • Monumentale architectuur in kalksteen,met T-vormige pijlers en structuren die deels uit de rotsbodem zijn uitgehakt.

  • Sporen van verschillende zones (terrassen met pijlers, een zone met o.a. maalstenen, en een zone met steengroeven waar pijlers werden gewonnen).

  • Het fenomeen van bewust opgevulde (“begraven”) gebouwen: volgens opgravingsleider Necmi Karul lijken de blootgelegde gebouwen “special buildings” die opzettelijk zijn dichtgegooid.

 

 

Karahantepe (samen met andere Taş Tepeler-sites) laat zien dat ritueel, kunst en monumentale bouw al een hoge vlucht namen bij gemeenschappen die nog niet passen in het klassieke “eerst landbouw, dan complexiteit”-schema. De vondsten worden vaak aangehaald in discussies over hoe sedentisme en sociale organisatie konden ontstaan vóór of naast landbouw.


Karahantepe vs. Göbekli Tepe in één oogopslag

  • Gelijkenis: beide horen bij dezelfde regio en traditie van monumentale structuren met T-pijlers.

  • Verschil in nuance: Karahantepe wordt vaak beschreven met duidelijke aanwijzingen voor meerdere fasen en zones (incl. mogelijke woon-gerelateerde activiteit), en met het opvallende thema van opzettelijk “begraven” gebouwen.

  • Publieke rol: Göbekli Tepe is UNESCO-werelderfgoed en een grote publiekstrekker; Karahantepe groeit snel mee in bekendheid binnen hetzelfde onderzoekslandschap.

Nootje 70

Bepaal de som A van alle natuurlijke getallen tussen \sqrt[3]{2026} en \sqrt{2026}.

Antwoord

  • Omdat 12^3=1728 en 13^3=2197 weten we dat 12<\sqrt[3]{2026}<13}.
  • Omdat 45^2=2025 en 46^2=2116 weten we dat 45<\sqrt{2026}<46.
  • Dan is A=13+14+\cdots+45.
  • We kunnen deze som berekenen door de formule te gebruiken van de som van de termen van een rekenkundige rij. Deze som is het product van het gemiddelde van de eerste en laatste term met het aantal termen.
  • Bijgevolg is

        \[A=\frac{13+45}{2}\times 33=957\]

 

 

 

type 1 en type 2 fouten bij hypothese toetsen

Bij een hypothesetoets neem je op basis van een steekproef een beslissing over een uitspraak (de hypothese). Omdat steekproeven toevallig kunnen afwijken, kan je twee soorten fouten maken: type 1 en type 2. In de praktijk komen die overeen met vals positief en vals negatief.

De basis: H0 en H1

  • Nulhypothese H0: “er is geen effect / geen verschil / alles is normaal”.

  • Alternatieve hypothese : “er is wél een effect / wél een verschil / er is iets aan de hand”.

Een toets eindigt met één van deze beslissingen:

  • je verwerpt (je vindt genoeg bewijs tegen )

  • je verwerpt niet (je vindt onvoldoende bewijs tegen )

Type-1 fout betekent: Je verwerpt terwijl in werkelijkheid waar is. Dit heet ook een vals positief: je “detecteert” iets dat er niet is. is waar, maar jij zegt: “nee, klopt niet”.Klassieke slogan: “vals alarm”.

Type-2 fout betekent: Je verwerpt niet terwijl in werkelijkheid waar is. Dit heet ook een vals negatief: er is wél een effect, maar je mist het. is waar, maar jij zegt: “ik zie geen reden om te verwerpen”. Klassieke slogan: “gemiste detectie

Je kan nooit beide fouten ‘klein’ maken, want als de ene kleiner wordt, dan wordt de andere groter.

Voorbeeld A: medische test (screening)

  • : “de patiënt is niet ziek”

  • Type-1 fout (vals positief): test zegt “ziek”, maar patiënt is gezond
    → stress, extra onderzoeken, kosten

  • Type-2 fout (vals negatief): test zegt “gezond”, maar patiënt is ziek
    → gevaarlijk: behandeling komt te laat

Voorbeeld B: rechtbank

  • : “de verdachte is onschuldig”

  • Type-1 fout (vals positief): onschuldige wordt veroordeeld

  • Type-2 fout (vals negatief): schuldige wordt vrijgesproken

Voorbeeld C: kwaliteitscontrole in een fabriek

  • : “dit product voldoet aan de norm”

  • Type-1 fout (vals positief): een goed product wordt afgekeurd
    → verspilling, extra kosten

  • Type-2 fout (vals negatief): een slecht product wordt goedgekeurd
    → klachten, risico’s, soms veiligheidsproblemen

 


Welke fout wil je vooral vermijden?

Dat hangt af van de context:

  • Als een gemiste detectie gevaarlijk is (bv. ernstige ziekte), dan wil je vooral type-2 fouten (vals negatief)beperken.

  • Als een vals alarm heel schadelijk is (bv. iemand ten onrechte beschuldigen), dan wil je vooral type-1 fouten (vals positief) beperken