Sommige vermoedens in de getaltheorie zijn zo eenvoudig dat je ze in één minuut kunt uitleggen—en toch blijft een bewijs decennia (of eeuwen) buiten bereik. Het vermoeden van Gilbreath is zo’n voorbeeld.
In 1958 krabbelde de Amerikaanse wiskundige en goochelaar Norman Gilbreath(1936-) iets op een servetje en vond vervolgens een verbijsterende hypothese over priemgetallen:
Neem een rij opeenvolgende priemgetallen vanaf 2 en schrijf onder elk opeenvolgend tweetal de absolute waarde van hun verschil. In de derde rij neem je weer de positieve verschillen tussen opeenvolgende getallen, enzovoort. Gilbreaths vermoeden is dat elke rij vanaf de tweede begint met het getal 1.
Alle priemen behalve de eerste zijn oneven, dus de verschillen in de tweede rij zijn vrijwel altijd even. Dat verklaart waarom je veel 0’s en 2’s ziet in latere rijen. Maar “alles is meestal even” dwingt helemaal niet af dat het allereerste element in élke volgende rij precies blijft. Dat is het mysterieuze, hardnekkige deel. François Proth observeerde het al in de 19e eeuw; Norman L. Gilbreath maakte het in 1958 bekend (vandaar soms “Proth–Gilbreath”) en tot op heden is er nog geen bewijs van gevonden. Het patroon is zeer ver gecontroleerd door middel van computerberekeningen. Odlyzko had het in 1993 gecontroleerd voor alle priemen tot ![]()













